Systeem Aarde

Systeem Aarde - SGB-boekje Zuid-Oost Azië - Paragraaf 1.2 en 1.3

Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Rocket clouds
Systeem Aarde by Mind Map: Systeem Aarde

1. Exogene krachten

1.1. Hoe ontstaan temperatuurverschillen?

1.1.1. De aarde ontvangt instraling van de zon.

1.1.1.1. Als de instraling het aardoppervlak raakt zal de aarde vanuit het aardoppervlak, de uitstraling, verwarmt worden

1.1.2. Broeikasgassen zorgen voor warmte die op aarde vastgehouden wordt

1.1.3. Dag en nacht

1.1.3.1. Dag

1.1.3.1.1. Instraling van de zon groter dan de uitstraling

1.1.3.2. Nacht

1.1.3.2.1. Geen instraling van de zon

1.1.4. De seizoenen

1.1.4.1. Verschil komt door de schuine stand van de aardas

1.1.4.2. juni

1.1.4.2.1. onze zomer

1.1.4.2.2. noordelijk halfrond meer naar de zon gericht dan het zuidelijk halfrond

1.1.4.2.3. lange dagen op noordelijk halfrond

1.1.4.3. december

1.1.4.3.1. onze winter

1.1.4.3.2. noordelijk halfrond afgekeerd van de zon

1.1.4.3.3. korte dagen op noordelijk halfrond

1.1.4.4. maart en september

1.1.4.4.1. Beide halfronden krijgen evenveel instraling van de zon

1.1.4.5. revolutie

1.1.4.5.1. het draaien van de aarde om de zon in 365,25 dagen

1.1.5. Breedteligging

1.1.5.1. aantal graden verwijderd van de evenaar

1.1.5.2. hoe dichter bij de evenaar een plaats ligt, hoe warmer het er over het algemeen is

1.1.5.3. Voor dit verschil zijn 2 oorzaken

1.1.5.3.1. De hoek waaronder de zonnestralen op de aarde schijnen

1.1.5.3.2. De weg van de zonnestralen door de dampkring

1.1.6. Hoogteligging

1.1.6.1. Hoe lager hoe warmer, hoe hoger hoe kouder

1.1.6.1.1. Elke 1000 meter stijging betekent een daling van 6 graden Celsius

1.1.7. De ligging ten opzichte van grote wateroppervlakten

1.1.7.1. Gebieden die grenzen aan wateroppervlakten zijn koeler in de zomer en warmer in de winter

1.1.7.1.1. ofwel matigende invloed

1.1.7.2. Water wordt langzamer warm dan land, maar raakt deze warmte ook sneller weer kwijt

1.1.7.2.1. Zonnestralen dringen in het water veel dieper door dan in land

1.1.7.2.2. Water is in tegenstelling tot het land veel meer in beweging

1.1.8. De nabijheid van koude en warme zeestromen

1.1.8.1. warme zeestromen stromen richting de polen

1.1.8.2. koude zeestromen stromen richting de evenaar

1.1.8.3. In West-Europa profiteren we van de Warme Golfstroom

1.1.9. De windrichting

1.1.9.1. Wind die van een koud gebied komt is koud, wind die van een warm gebied komt is warm.

1.1.10. Albedo (weerkaatsing)

1.1.10.1. Witte oppervlakten weerkaatsen beter, waardoor ze kouder zijn

1.1.11. Stedelijk warmte-eilandeffect

1.1.11.1. Steden produceren zelf veel warmte

1.1.12. Wolken

1.1.12.1. zorgen dat zonnestralen het moeilijker hebben om het aardoppervlak te bereiken en om weg te kunnen

1.1.13. Vulkaanuitbarstingen

1.1.13.1. korte termijn: temperatuur daalt omdat er geen instraling mogelijk is

1.1.13.2. lange termijn: CO2-uitstoot zorgt voor opwarming van de aarde

1.2. Hoe ontstaan luchtstromen?

1.2.1. luchtdruk

1.2.1.1. het gewicht van de kolom lucht die op je drukt

1.2.1.2. uitgedrukt in milibar

1.2.1.3. gemeten met een barometer

1.2.2. luchtdrukverschillen

1.2.2.1. <1013mbar = lage luchtdruk

1.2.2.2. >1013mbar = hoge luchtdruk

1.2.2.3. gebied met een tekort aan lucht = lagedrukgebied = minimum

1.2.2.3.1. ontstaan op plekken waar lucht opstijgt, dit kan komen door

1.2.2.4. gebied met een overschot aan lucht = hogedrukgebied = maximum

1.2.2.4.1. ontstaan op plekken waar lucht gaat dalen, op het moment dat lucht sterk afgekoeld is

1.2.3. Hoe geef je luchtdruk weer op een kaart?

1.2.3.1. Isobaren

1.2.3.1.1. lijnen die punten met dezelfde luchtdruk met elkaar verbinden

1.2.3.2. Het centrum van een hogedrukgebied wordt weergegeven met een H

1.2.3.3. Het centrum van een lagedrukgebied wordt weergegeven met een L

1.2.4. Windkracht

1.2.4.1. hoe dichter isobaren op elkaar zitten hoe harder het waait

1.2.4.2. kan gemeten worden met een windmeter

1.2.4.3. schaal van Beaufort

1.2.4.3.1. van 0 tot 12

1.2.5. Vaste hoge- en lagedrukgebieden op aarde

1.2.5.1. leer kaartjes op pagina 49 en 50

1.2.6. De Wet van Buys Ballot

1.2.6.1. De wind stroomt van gebieden met een hoge luchtdruk naar gebieden met een lag luchtdruk. De wind krijgt hierbij een afwijking naar rechts op het noordelijk halfrond en een afwijking naar links op het zuidelijk halfrond (met de windrichting meekijkend)

1.2.7. Passaatwinden

1.2.7.1. winden die waaien van subtropische maxima naar het equatoriaal minimum

1.2.8. Westenwinden

1.2.8.1. winden die waaien van de subtropische maxima naar de subpolaire minima

1.2.9. Poolwinden

1.2.9.1. winden die waaien van de polaire maxima naar de subpolaire minima

1.2.10. Model en werkelijkheid

1.2.10.1. Lokale omstandigheden hebben nog steeds veel invloed

1.3. Hoe ontstaat neerslag?

1.3.1. Luchtdruk en neerslag: "Laag is nat" & "Hoog is droog"

1.3.1.1. Warme lucht bevat meer waterdamp dan koude lucht. Als lucht afkoelt condenseert de waterdamp, waardoor neerslag ontstaat.

1.3.1.1.1. Dit stijgen van de lucht kan leiden tot

1.3.2. Verschijningsvormen van neerslag

1.3.2.1. Regen

1.3.2.2. Sneeuw

1.3.2.3. Hagel

1.3.2.3.1. ontstaat in buienwolken met sterk stijgende en dalende luchtstromen

1.3.2.4. IJzel

1.3.2.4.1. koude regendruppels op bevroren ondergrond

1.3.2.5. Mist

1.3.2.5.1. ontstaat wanneer lucht met veel waterdamp aan het oppervlak sterk afkoelt. Er ontstaat dan een wolk aan het aardoppervlak

1.3.2.6. Dauw

1.3.2.6.1. relatief warme lucht met veel waterdamp komt in contact met een afgekoeld aardoppervlak. Kleine druppeltjes op de grond bij warm weer

1.3.2.7. Rijp

1.3.2.7.1. Dauw waarbij het aardoppervlak onder de 0 graden Celsius is. Hierdoor zijn het geen druppeltjes maar is het ijs.

1.3.3. De moesson (in ZOA)

1.3.3.1. Periodieke wind die in een halfjaar in 1 richting waait en het volgende halfjaar in de tegenovergestelde richting

1.3.3.1.1. Het weer verandert hierdoor ook, daardoor krijg je

1.3.3.2. De situatie in ZOA wordt uitgelegd (p.56-57)

1.3.4. El Nino en La Nina

1.3.4.1. De normale circulatie van zee- en luchtstromen op de Stille Oceaan

1.3.4.1.1. zie afbeelding en tekst over ZOA op blz. 59

1.3.4.2. De circulatie van zee- en luchtstromen op de Stille Oceaan in een El Nino-jaar

1.3.4.2.1. De passaatwinden nemen in kracht af. Bij een Super El Nino ontstaat er een omkering van de normale neerslag krijgt. Zie blz. 60

1.3.4.3. De circulatie van zee- en luchtstromen op de Stille Oceaan in een La nina-jaar

1.3.4.3.1. La Nina is een versterkte normale situatie. De verschillen in luchtdruk tussen subtropisch maximum en equatoriaal minimum worden sterker dan normaal waardoor de oostelijke passaatwinden sterker worden dan normaal. Zie blz. 60-61

1.3.4.4. Op een El Nino volgt bijna altijd een La Nina

1.3.5. Extreme winden (in ZOA)

1.3.5.1. Orkanen

1.3.5.2. Tyfoons

1.3.5.2.1. ontstaat in het najaar boven sterk verwarmd zeewater van minimaal 27 graden Celsius. Door sterk stijgende lucht en het corrioliseffect ontstaat de storm. (uitgebreid beschreven op p.62)

1.3.5.3. Cyclonen

2. Endogene krachten

2.1. Platentektoniek

2.1.1. Vulkanisme

2.1.1.1. Stratovulkaan (zonder hotspot)

2.1.1.1.1. Voornamelijk bij subductiegebieden

2.1.1.1.2. Bij subductie worden veel sedimenten meegenomen

2.1.1.2. Schildvulkaan (zonder hotspot)

2.1.1.2.1. Doordat 2 platen uit elkaar bewegen, kan het omhoogkomende magma vrij gemakkelijk naar buiten stromen (effusuief vulkanisme) Dit magma is veel vloeibaarder omdat er geen continentale seidimenten mee smelten.

2.1.1.3. Hotspot

2.1.1.3.1. Vanuit de mantel stijgt een grote hoeveelheid vloeibaar gesteente op. Dit wordt een mantelpluim genoemd.

2.1.1.4. Vulkanische Explosiviteits Index

2.1.1.4.1. Schaal van 0 tot 8 op heftigheid van de uitbarsting

2.1.1.4.2. Supervulkanen hebben een 8, daarbij moet 1000 kubieke kilometer vulkanisch materiaal worden uitgestoten

2.1.1.5. Het gevaar van vulkanen

2.1.1.5.1. Directe gevaren

2.1.1.5.2. Indirecte gevaren

2.1.1.5.3. Omgaan met het gevaar

2.1.2. Gebergtevorming

2.1.3. Aardbevingen

2.1.3.1. ontstaan bij het hypocentrum, recht daarboven is het epicentrum

2.1.3.2. meetbaarheid

2.1.3.2.1. Seismologie

2.1.3.2.2. Seismograaf

2.1.3.2.3. Resultaat: Seismogram

2.1.3.3. Hoe weet je hoe zwaar een aardbeving is geweest?

2.1.3.3.1. (Magnitude)schaal van Richter

2.1.3.3.2. (Intensiteits)schaal van Mercalli

2.1.3.4. Gevolgen

2.1.3.4.1. Directe gevolgen

2.1.3.4.2. Indirecte gevolgen

2.1.3.5. Voorspelbaarheid

2.1.3.5.1. is er niet

2.1.3.6. Maatregelen

2.1.3.6.1. Hazard Management

2.1.4. Plaatbewegingen

2.1.4.1. Divergentie

2.1.4.1.1. 2 oceanische platen

2.1.4.1.2. 2 continentale platen

2.1.4.2. Convergentie

2.1.4.2.1. Dalende convectiestromen

2.1.4.2.2. een continentale en een oceanische plaat

2.1.4.2.3. 2 oceanische platen

2.1.4.2.4. 2 continentale platen

2.1.4.3. Transversaal

2.1.4.3.1. Platen komen wel eens vast te zitten

2.1.4.3.2. Magma kan langs de breuken in de aardkorst aan het oppervlak komen

3. Opbouw van de aarde

3.1. lithosfeer

3.1.1. aardkorst + bovenste gedeelte van de mantel

3.1.2. relatief koud

3.1.3. rigide gesteente

3.1.4. relatief dun

3.1.5. continentale lithosfeer

3.1.5.1. 50-90km dik

3.1.5.2. bestaat vooral uit graniet

3.1.5.2.1. relatief licht

3.1.5.3. relatief oud

3.1.6. oceanische lithosfeer

3.1.6.1. 5km dik

3.1.6.2. bestaat vooral uit basalt

3.1.6.2.1. relatief zwaar

3.2. asthenosfeer

3.2.1. onderste deel van de mantel

3.2.2. relatief warm

3.2.3. plastisch gesteente

3.2.4. convectiestromen

3.2.4.1. stijgende convectiestroom

3.2.4.1.1. heet gesteente stijgt

3.2.4.2. dalende convectiestromen

3.2.4.2.1. gesteente koelt af en daalt

3.2.5. relatief dik