Debby ICC'er

Keep track of your personal tasks and export them to your favorite calendar

Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Rocket clouds
Debby ICC'er by Mind Map: Debby ICC'er

1. H10: kerndoelen en tussendoelen

1.1. 2006: kerndoelen herzien. De ruime omschrijving ban de kerndoelen biedt veel ruimte voor een eigen invulling, de school kan zelf kiezen hoe cultuuronderwijs wordt ingevuld.

1.1.1. Kunstzinnige orientatie: kinderen maken kennis met kunstzinnige en culturele aspecten in hun leefwereld.

1.1.2. Kerndoel 54, 55, 56

1.2. Mijn kerndoelen

1.2.1. Mijzelf ontwikkelen qua kennis op gebied van westerse kunstgeschiedenis.

1.2.1.1. Item 1

1.2.1.2. Item 2

1.2.1.3. Item 3

1.2.2. Leren ontwerpen van educatieve programma's.

1.2.2.1. Item 1

1.2.2.2. Item 2

1.2.2.3. Item 3

1.2.3. Mijn interesses verbreden, durf een uitstapje te maken naar het onbekende.

1.2.3.1. Item 1

1.2.3.2. Item 2

1.2.3.3. Item 3

2. H4: Visie

2.1. Een visie is altijd gericht op de toekomst. Het is het toekomstbeeld van de uiteindelijke bestemming van onze inspanningen. Een visie is een idee met de kracht om werkelijkheid te worden.

2.2. Bij het formuleren van een visie gaat het dus vooral om: - het schetsen van een helder toekomstbeeld. - samenwerking met anderen die aan de realisatie van die visie gaan meewerken. - rekening houden met alles wat er al speelt.

2.3. Drie scenario's. Dit is een belangrijk hulpmiddel bij het formuleren van een visie. Die drie scenario's zetten verschillende ambities om cultuuronderwijs vorm te geven op een rijtje. Scenario 1: komen & gaan: de school maakt jaarlijks een keuze uit het aanbod van culturele instellingen. Scenario 2: vragen & aanbieden: de school stelt specifieke vragen aan culturele instellingen om het aanbod passend te maken aan het schoolprogramma. Scenario 3: leren & ervaren: school en culturele instelling gaan een vergaande samenwerking aan, waardoor de grenzen tussen beide instituten vervagen.

2.4. Mijn visie luidt als volgt: "Cultuuronderwijs neemt je mee in een betoverende wereld die je je hele leven bijblijft."

3. H3: persoonlijke betrokkenheid

3.1. Jouw rol als cultuurcoördinator. Kies een rol die beroep doet op jouw kwaliteiten.

3.1.1. Ik wil graag de coördinator zijn die de zaken voor cultuuronderwijs regelt en afspreekt. Ik organiseer en delegeer het werk dat moet gebeuren.  Ik heb organisatorische kwaliteiten die hierbij goed van pas komen.

3.2. Kernkwaliteitenonderzoek. Hiermee breng je je eigen sterke en zwakke kanten in beeld. Bij iedere kernkwaliteit hoort ook een valkuil.

3.2.1. Kernkwaliteit: Perfectionistisch Valkuil: Niet weten wanneer te stoppen als goed, goed is. Uitdaging: balans krijgen. Niet door blijven gaan wanneer het onnodig is. Allergie: Laks worden, afraffelen

3.3. Belbin-test. De groepsrollentest, ontwikkeld door Belbin, gaat ervan uit dat een sterke groep bestaat uit verschillende soorten rollen. Hij maakt een onderscheid tussen functionele, organisatorische en persoonlijke rollen.

3.3.1. Ik ben onderzoeker; stabiel, dominant en extrovert. Gaat op zoek naar ideeën, ontwikkelingen en informatie buiten de deur en beschikt daarvoor over talloze contacten: ontspannen, sociaal en gezellig. Bedenkt niet zozeer zelf ideeën maar pikt ze snel op bij anderen. Daarnaast ben ik vormer; onrustig, dominant en extrovert. Geeft vorm aan de inspanningen van het team en zoekt patronen in discussies. Productief onder druk en bij hoge snelheid.

3.4. Mentalitytest. Deze test is ontwikkeld door onderzoeksbureau Motivaction als onderdeel van een onderzoek naar waarden en leefstijlen anno 2009. Acht verschillende sociale milieus op basis van de persoonlijke opvattingen en waarden die aan de levensstijl van mensen ten grondslag liggen: traditionele burgerij, moderne burgerij, nieuwe conservatieven, gemaksgeörienteerden, opwaarts mobielen, kosmopolieten, postmaterialisten en postmoderne hedonisten.

3.4.1. Ik ben een kosmopoliet. Dit is iemand die het belangrijk vindt om maatschappelijk succesvol te zijn en die geïnteresseerd is in kunst, cultuur, politiek en in wat er in de wereld gebeurt. Kosmopolieten kenmerken zich door ambitie (hard werken en maatschappelijk hogerop komen), een behoefte aan zelfontplooiing en sociale betrokkenheid. Nieuwe ervaringen en kennis opdoen om zich persoonlijk te ontwikkelen zijn belangrijke drijfveren. Zij hebben een sterk geloof in het realiseren van persoonlijke en sociale ambities. De leefstijl van de kosmopolieten is actief en veelzijdig, met een brede interesse voor kunst en cultuur. Werken is belangrijk voor persoonlijke groei en maatschappelijke erkenning. Ook de activiteiten die in de vrije tijd worden ondernomen staan in het teken van persoonlijke ontplooiing. Mensen binnen deze groep hebben een uitgebreid netwerk van sociale contacten.

4. H1: Passie

4.1. Mijn Passies

4.1.1. Paardrijden

4.1.2. Dansen

4.1.3. Muziek

4.1.4. Film

4.1.5. Lezen

4.2. Coachingsinstrumenten om je passies en drijfveren zichtbaar te maken.

4.2.1. Niveaus van Dilts en Bateson

4.2.1.1. Menselijk gedrag in de vorm van zes hiërarchische niveaus.

4.2.1.1.1. niveau 1: omgeving niveau 2: gedrag niveau 3: capaciteiten niveau 4: overtuigingen niveau 5: identiteit niveau 6: zingeving

4.2.2. Ui van Korthagen

4.2.2.1. Door de niveaus van Dilts en Bateson af te pellen kom je uiteindelijk bij de kern. De buitenste rok van de ui is de omgeving waarin je functioneert.

4.2.2.1.1. binnenste rok: betrokkenheid identiteit overtuigingen bekwaamheden gedrag buitenste rok: omgeving

4.2.3. Ijsbergmodel van McClelland

4.2.3.1. Een klein deel van de ijsberg is aan de oppervlakte te zien, het grootste deel zit onder water. Het idee is dat je op het topje begint met het in kaart brengen van je gedrag en kennis. Wat doe je? Hoe handel je? Welk zichtbaar gedrag vertoon je? Op basis daarvan kun je de opvattingen en normen onderzoeken, evenals de vraag hoe je denkt over de wereld waarin je leeft en over jezelf. Als je dat in kaart hebt gebracht kun je uitspraken doen over wat je eigenlijk wilt: je motieven en drijfveren.

4.2.3.1.1. Het topje van de ijsberg staat in dit model symbool voor gedrag en kennis, samengevat onder het kopje doen. Onder de wateroppervlakte bevinden zich vervolgens opvattingen en normen (denken), helemaal aan de onderkant zitten motieven en drijfveren (willen).

4.3. Mijn Ijsbergmodel van McClelland

4.3.1. Kennis en vaardigheden: Ik studeer communicatie. Ik werk als supervisor bij Vue Den Bosch. Ik rijd paard. Opvattingen en waarden: Ik denk dat je alles kunt bereiken als je er maar hard genoeg voor werkt. Ik denk dat alles te leren valt. Eigenschappen en drijfveren: Ik ben sociaal en leergierig. Ik wil graag andere mensen een leuke tijd bezorgen. Ik besteed mijn tijd graag buiten. Ik word er gek van als ik de hele dag opgesloten binnen moet zitten.

5. H5: Beleid

5.1. Beleid is een beschrijving van de route die je volgt om van een bestaande situatie naar een gewenste situatie te komen. Om die route vorm te kunnen geven, moeten keuzes gemaakt worden.

5.2. Een beleidsplan is vooral een praktisch koersinstrument dat gebruik wordt om ontwikkeling mogelijk te maken.

5.3. In het beleidsplan van AWN komt naar voren wat hun missie is en wat de doelen zijn die zij willen bereiken. Zo hebben zij drie hoofdactiviteiten:  -bijdragen aan kennis over archeologie -kennis uitdragen en het bevorderen van betrokkenheid bij de bevolking, als ambassadeurs voor de archeologie. -bescherming van het bodemarchief via belangenbehartiger en behoud en beheer.

6. H2: Inspiratie

6.1. Je taak als cultuurcoördinator is om de passie en inspiratie van anderen aan te spreken en verder te ontwikkelen. Ben zo authentiek mogelijk.

6.1.1. Ik zou persoonlijk mijn inspiratie overbrengen door het vertellen van verhalen. Ik houd van verhalen en storytelling is mijn kwaliteit. Dit zou ik doen aan de hand van een blog, waar ik verhalen schrijf maar mensen ook via een vlog meeneem in mijn wereld en mijn avonturen als cultuurcoördinator. Door mijn enthousiasme wil ik mensen motiveren om deze activiteiten ook te bezoeken en hiervan te leren.

7. H6: Samen visie en beleid uitzetten

7.1. Wat je wilt bereiken beschrijf je in je visie, hoe je dit bereikt schrijf je in je beleidsplan.

7.2. Je kunt je eigen opstellen door het voortouw in de ontwikkeling te nemen of als begeleider of als deskundige. Voortouw: je werkt iedere keer een onderdeel van de visie en het beleid uit en stelt dat voor aan je collega's.  Begeleider: Je stelt iedere keer een onderdeel aan de orde zonder daar zelf invulling aan te geven. Tijdens de bijeenkomst verzamel je de ideeën. Die ideeën verwerk je dan tot een gezamenlijke tekst. Deskundige: je ontwikkelt het hele plan vooraf. Als het hele plan af is verspreid je het met de vraag of iedereen eens goed wil lezen wat je beschreven hebt.

7.3. Mijn aanpak. Ik zou het voortouw nemen. Ik vind het altijd fijn om feedback te krijgen en om dit dan weer te verwerken in het plan. Wel zou ik anderen hierbij om ideeën vragen. Zodat alle betrokkenen het idee hebben dat ze er aan meegewerkt hebben en hun mening hebben kunnen geven.

8. H7: visie en beleid op papier

8.1. Doelgroep: bedenk vooraf voor wie je het cultuurbeleidsplan schrijft.

8.2. Ieder beleidsplan ziet er anders uit omdat iedere organisatie anders is. Onderwerpen die in ieder geval aanbod komen: -visie -wat is cultuureducatie? -cultuuronderwijs op school -middel of doel -cultuuronderwijs in de breedte of in de diepte -legitimatie -scenario -samenwerking -doorgaande lijn -coordinatie -Icc'ers -ruimtelijke omstandigheden -financien -evaluatie

9. H8: Cultuurbeleid van de afgelopen jaren

9.1. 1996: cultuurpoot, denkkracht en financien van beleidsonderdelen onderwijs en cultuur werden met elkaar verbonden onder de naam Cultuur en school. 1997: actief landelijk, provinciaal en gemeentelijk beleid om scholen en culturele instellingen aan elkaar te verbinden. 2004: meer gericht op basisonderwijs en op vraagsturing.

9.2. De landelijke middelen worden via het programma Cultuureducatie met Kwaliteit (2013 - 2016) onder provincies en grote steden verdeeld. Op 54 plaatsen wordt gewerkt aan vier inhoudelijke lijnen: 1. het ontwikkelen van een inhoudelijke basis (leerlijnen). 2. het stimuleren van de deskundigheid van leraren en educatief medewerkers. 3. het aanreiken van instrumenten voor de beoordeling van leerlingen.   4. het stimuleren van duurzame samenwerking tussen scholen en culturele instellingen.

9.3. In 2004 startte het Ministerie van OCW de regeling Versterking cultuureducatie primair onderwijs, waarmee de school of het bestuur rechtstreeks per leerling per schooljaar €10,90 ontving om cultuuronderwijs een stevige plek in het onderwijs te geven. Sinds 2012 maakt die €10,90 deel uit van de prestatiebox. Het budget is bedoeld om de samenhang binnen het leergebied kunstzinnige oriëntatie te vergroten en om de kwaliteit van cultuuronderwijs te verhogen.

9.4. Hoe zag dit er vroeger bij mij uit? Primair onderwijs. Op de basisschool kregen wij iedere vrijdagmiddag kunstlessen als schilderen, kleien, tekenen. Het was altijd een opdracht waar je een aantal weken aan werkte. Daarnaast kregen wij les in het cultuur erfgoed van Den Bosch. Hiervoor bezochten wij musea en kregen wij lessen Boschlogie. Op het voortgezet onderwijs kregen wij de lessen CKV, waar je verplicht verslagen moest schrijven over culturele bezienswaardigheden als dans, toneel, muziek, musea. Daarnaast hadden wij de lessen handvaardigheid, tekenen en techniek. Deze waren overigens alleen voor 1 jaar.

10. H9: Cultuuronderwijs.

10.1. Onder cultuuronderwijs verstaan wij alle vormen van onderwijs waarbij cultuur als doel of als middel wordt ingezet.

10.2. Verzamelbegrip voor kunst-, erfgoed-, en mediaeducatie. Literatuureducatie wordt daarbij soms nog apart genoemd.

10.3. Kunsteducatie: omvat alle kunstvormen. Traditionele richtingen als muziek, dans, theater, beeldende kunst, architectuur, film, fotografie, literatuur, maar ook moderne vormen als popmuziek, gaming, nieuwe media, mode, design etc.

10.3.1. Onderscheiden van drie samenhangende leerstrategieën: actief (zelf beoefenen), receptief (bezoeken en beleven van kunst) en reflectief (reflectie op de kunstervaring en het eigen productieproces).

10.3.2. Ik volg de drie leerstrategieën. Ik beoefen dans. Ik bezoek musea, musicals, steden en lees boeken. Sinds de minor heb ik geleerd te reflecteren op wat ik zie en wat ik doe.

10.4. Erfgoededucatie: omvat onderwijs met en over cultureel erfgoed, materiële en immateriële sporen uit het verleden.

10.4.1. Als wij vroeger op vakantie gingen bekeken we altijd het cultureel erfgoed van de plaats die wij bezochten. Ik heb altijd veel interesse gehad voor geschiedenis en de verhalen uit de geschiedenis.

10.5. Media - educatie: leert mensen kundig en kritisch om te gaan met (masssa)media, zowel met de klassieke (kranten, radio, tv) als met nieuwe media (internet).

10.5.1. Ik zoek voornamelijk veel informatie op, op het internet.

11. H11: Leerdoelen

11.1. Cultuur als doel; culturele ervaring of activiteit staat centraal. Cultuur als middel; die ervaring of activiteit wordt ingezet om iets anders te bereiken.

11.1.1. Ik gebruik cultuur als middel, om ervan te leren en de beleving gebruik is om het over te brengen.

11.2. Howard Gardner; acht soorten intelligenties: - Verbaal linguistisch; taal, lezen - logisch mathematisch; rekenen, ordenen - visueel ruimtelijk, denken in beelden - auditief / muzikaal; luisteren - lichamelijk/kinesthetisch; bewegen, ervaren -natuurgericht: natuur, verzamelen - intrapersoonlijk; eigen beleving, zelfstandig - interpersoonlijk, samen, sociaal emotioneel

11.2.1. Persoonlijk vind ik het belangrijk dat er samenhang is tussen deze acht soorten. Het is mooi om hiervoor culturele activiteiten te gebruiken omdat je hierbij veel combinaties kunt maken.

11.3. Kolb: leren als een cyclisch proces. Volgorde verschilt per persoon. -kennen (door ervaring) - weten (wetenschappelijke kennis) - introvert (kennis verwerven van binnenuit, door concentratie en reflectie) - extravert (kennis wordt verworden door te experimenteren en te handelen)

11.3.1. Ik ben een dromer, aan de hand van verhalen onthoud ik het beste. Ik begin dus bij een concrete ervaring ondergaan, dan ga ik observeren en reflecteren, daarna abstraheren en conceptualiseren en uiteindelijk experimenteren.

12. H12 : creativiteit en creatief proces

12.1. creativiteit is het scheppend vermogen om nieuwe en/ of ongebruikelijke maar toepasbare oplossingen voor bestaande problemen te vinden.

12.1.1. Mijn creativiteit komt naar boven als ik tegen een deadline aanzit en iets af moet. Er moet een grote uitdaging inzitten.

12.2. Orienteren, onderzoeken, uitvoeren, reflecteren

13. H13: cultuuraanbod

13.1. Lesaanbod is niet meer aanbodgericht, maar vraaggestuurd en luistert naar de wensen van het onderwijs.

13.1.1. Als cultuurcoordinator zou ik eerst uitzoeken waar er vraag naar is, wat mensen willen leren. Daarna zou ik contact leggen met culturele instellingen en nieuw materiaal maken.

13.1.2. Tip; maak een culturele kaart van je gemeente.

14. H14: vakintegratie

14.1. uitgangspunt bij vakintegratie is dat kinderen niet denken in vakken of vakgebieden, maar nieuwsgierig zijn naar allerlei facetten rond een thema.

14.1.1. Thema project zou ik altijd beginnen met een inspirerend uitstapje om het thema af te trappen. Daarna zou ik al mijn lessen hieraan koppelen. Ik denk dat leerlingen de lessen als leuker gaan ervaren en dat wat je wilt leren ook sneller blijft hangen. Wel vind ik het van groot belang dat er ook 'klassieke' lessen gegeven worden waarin leerlingen hun reken, taal vaardigheden goed blijven ontwikkelen.

15. H15: doorlopende leerlijnen

15.1. Een doorlopende leerlijn is een meerjarig onderwijsprogramma waarin bewust is nagedacht over wat, wanneer en hoe wordt aangeboden.

16. H16: het maken van een activiteitenplan

16.1. Een goed activiteitenplan kun je zien als een visitekaartje van je werk.

16.1.1. fundamenten: visie, ambitie en middelen.

16.1.1.1. werken met de 4 v's: vasthouden, verminderen, versterken en vernieuwen

16.1.2. Mijn activiteitenplan. Als ik eerst de doelen formeer zou ik zeggen: "Ik wil dat iedereen die deze culturele instelling bezoekt naar huis gaat met het gevoel dat ze iets geleerd hebben en een ervaring rijker zijn." De activiteiten die ik nodig heb om dit doel te bereiken beschrijf ik in mijn activiteitenplan.

16.2. 2 type scholen; scholen die kiezen voor werken met methodes en scholen die een raamwerk willen voor cultuuronderwijs met veel ruimte voor eigen inbreng en inpassing bij thema's

17. H17: selecteren van cultureel aanbod

17.1. 3 strategieen te onderscheiden om cultureel aanbod te selecteren.

17.1.1. 1. de school kiest ervoor te participeren in het lokale samenwerkingsverband voor de inkoop van het cultureel jaarprogramma. 2. De school stelt jaarlijks een discipline of leergebied centraal voor de groepen 1 t/m 8. 3. De school stelt op basis van haar visie en onderwijsthema's jaarlijks een divers cultureel programma samen.

17.1.1.1. Mijn voorkeur gaat uit naar het handelen op basis van je eigen visie. Zodat je het dichtbij jezelf houdt.

18. H18: zelf culturele activiteiten ontwikkelen.

18.1. 1. het inventariseren van cultuuronderwijs vragen 2. vragen bundelen en prioriteiten 3. zoeken naar antwoord op de vraag 4. van projectinitiatief naar resultaat

18.2. Bij het ontwikkelen van culturele activiteiten vind ik het fijn om eerst goed te kijken naar de doelen wat sluit aan bij het bedrijf waar je voor werkt en wat wil de doelgroep.

19. H19; geldbronnen

19.1. Lumpsum is een budget dat scholen ontvangen van het ministerie van OCW voor alle kosten.

19.1.1. €101,74 per school & €4.25 per leerling

19.2. gemeentebudget voor cultuuronderwijs

19.3. voor de brede school is er vanuit de rijksoverheid een regeling die zich specifiek richt op kunst en cultuur.

19.4. fondsen

19.5. sponsoring

19.6. Ouderbijdrage

20. H20: budgetteren en begroten

20.1. schoolbestuur beheert het geld.

20.2. Schoolbestuur stelt een meerjarenbegroting op. Hierin is zichtbaar wat de specifieke posten zijn voor cultuuronderwijs. Bij een werkbegroting gaat het om daadwerkelijke kosten.

21. H21: taken en taakverdeling

21.1. Zorg ervoor dat iedereen een heldere taakomschrijving heeft zodat ze weten wat ze kunnen verwachten.

21.1.1. Mijn taakomschrijving: communiceren, plannen ontwikkelen, cultuuraanbod beoordelen, samenwerken met externen, professionalisering, samenwerking binnen school en coordineren.

22. H22: inspiratie en draagvlak

22.1. behoefte --> wens --> verwachting --> prikkel --> doen --> effect beoordelen

23. H23: samenwerkingsverbanden en netwerken

23.1. Ik vergroot mijn netwerk door contacten te onderhouden, bijvoorbeeld met AWN waar ik stage heb gelopen. Verder voeg ik iedereen die iets van belang kan hebben voor mijn professionele netwerk toe aan mijn linkedin account, zo kun je altijd contact opnemen wanneer je ze nodig kunt hebben.

24. H24: Communicatie en publiciteit

24.1. publiciteitsplan

24.2. Middelen die ik zou gebruiken: social media, lokale media, flyers, advertenties, brochure, website.

25. H25: lessen uit de cultuuronderwijspraktijk: evalueren

25.1. Het evaluatieproces: verzamelen --> vastleggen --> interpreteren --> bijstellen

25.2. Ik vind evalueren fijn werken via enquetes. Zo heb je een duidelijk overzicht van wat iedereen er van vond. Een nadeel hiervan is dat je mensen al snel in een hokje doet. Daarom vin ik het fijn als mensen bijvoorbeeld een videoboodschap na afloop van het evenement achter laten. Zodat je kunt terugkijken wat ze ervan vonden. Hier kunnen ze hun ongefilterde mening geven. Daarnaast is het belangrijk om met het 'werkende' team te evalueren. Wat verliep stroef, wat moet de volgende keer anders maar ook wat ging er goed zodat je weet dat je dat de volgende keer niet hoeft te veranderen.